Ruimtelijke indeling in Oost-Vlaanderen
Stedelijk gebied versus buitengebied
In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), het planningsdocument van de Vlaamse overheid waarin het ruimtelijk beleid van Vlaanderen wordt vastgelegd, wordt Vlaanderen onderverdeeld in stedelijk gebied en in buitengebied. Het stedelijk gebied wordt gekenmerkt door een dichte bebouwing en een sterke ruimtelijke samenhang. Het is daar waar men verdere ontwikkelingen inzake wonen, bedrijvigheid en voorzieningen wenst te stimuleren en te concentreren.
In het buitengebied daarentegen staat de open (onbebouwde) ruimte centraal en wil men deze zoveel mogelijk behouden. Daarom wordt de meeste aandacht besteed aan de landbouw, de natuur en aan het wonen en werken in de kernen. Het doel van dit beleid is het vermijden van een wildgroei van allerlei activiteiten in het buitengebied.
Een hiërarchie van steden, hoofddorpen en woonkernen
In het RSV werden de stedelijke gebieden voor heel Vlaanderen geselecteerd. Om in deze gebieden een beleid van groei, concentratie en verdichting (= het stedelijk gebiedbeleid) te kunnen ontwikkelen is het nodig dat men deze gebieden zorgvuldig afbakent.
Om deze afbakening te vergemakkelijken worden de steden onderverdeeld in 3 grote groepen: de grootstedelijke, de regionaalstedelijke en de kleinstedelijke gebieden.
Voor Oost-Vlaanderen geeft deze onderverdeling:
- Grootstedelijke gebieden: Gent
- Regionaalstedelijke gebieden: Aalst en Sint-Niklaas
- Kleinstedelijke gebieden: Beveren, Deinze, Dendermonde, Eeklo, Geraardsbergen, Lokeren, Ninove, Oudenaarde, Ronse, Temse, Wetteren en Zottegem
De Vlaamse Overheid is verantwoordelijk voor de afbakening van de grootstedelijke en de regionaalstedelijke gebieden. Voor Gent en Aalst is deze afbakening reeds voltooid, voor Sint-Niklaas is het proces in een eindfase.
De provincie zorgt voor de afbakening van de kleinstedelijke gebieden. Voor alle steden zijn deze planningsprocessen lopende, maar er is voorlopig nog geen enkele afbakening afgewerkt. In het buitengebied worden hoofddorpen en woonkernen geselecteerd. Deze lijst van hoofddorpen en woonkernen kan geraadpleegd worden in het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan (PRS). Zij vormen als het ware een aanvulling op de stedelijke gebieden en fungeren als centrale plaatsen op lokaal niveau.
Voor elk gebied een aangepast beleid
Het beleid dat gevoerd wordt ten aanzien van de hoofddorpen en de woonkernen is een aanvulling op het stedelijk gebiedbeleid. Om de stedelijke gebieden te kunnen versterken moeten de ontwikkelingen inzake wonen en bedrijvigheid in de buitengebieden afgeremd worden.
Zo wordt in het RSV de trendbreuk geïntroduceerd. Met de trendbreuk wordt bedoeld dat 60 % van de bijkomende woningen in het stedelijk gebied moeten worden gerealiseerd. De overige 40 % moeten in de hoofddorpen en woonkernen van het buitengebied worden gerealiseerd.
In het PRS werd deze trendbreuk lichtjes bijgesteld. In de provincie Oost-Vlaanderen wordt dit een verhouding van 61 % - 39 %. Dit betekent ook dat er in andere delen van het buitengebied geen bijkomende woningen kunnen voorzien worden.
De economische activiteiten worden gebundeld in de stedelijke gebieden en in de economische knooppunten. Economische knooppunten zijn plaatsen die geen aanspraak kunnen maken op de titel van 'stad', maar die wel over belangrijke economische activiteiten beschikken.
Ter informatie worden hier ook de specifiek economische knooppunten in Oost-Vlaanderen meegegeven. Deze zijn: Aalter, Kluisbergen, Maldegem, Nazareth en Zele. Daarom wordt 77 % (wat voor Oost-Vlaanderen neerkomt op 1.320 ha) van de bijkomende ruimte voor economische activiteiten voorzien in de stedelijke gebieden en de economische knooppunten. De overige 23 % (394 ha) kan gelokaliseerd worden in de niet-economische knooppunten. Hierbij is het zo dat enkel in of nabij een hoofddorp een bijkomend lokaal bedrijventerrein kan gerealiseerd worden van maximum 5 ha groot. In de andere delen van het buitengebied is dit niet mogelijk.